Het eerste bestuursakkoord van onze nieuwe gemeente Beveren - Kruibeke - Zwijndrecht

03-12-2025

De Kijk van Kegels

Tussen warme woorden, betonrealiteit en de grote aankondigingsshow

Het bestuursakkoord 2025–2030 leest als een uitnodiging. Warm. Verbindend. Vol zorg voor jeugd, senioren, verenigingen, ondernemers, cultuur, sport, klimaat en mobiliteit. Een nieuw huwelijk tussen Beveren, Kruibeke en Zwijndrecht, met goede intenties, mooie beloftes en een duidelijke wil om er samen iets van te maken. Dat verdient erkenning. Hier is zichtbaar werk in gekropen.


Maar een bestuursakkoord is geen poëziebundel.

Het is een bouwplan voor de realiteit.

En realiteit werkt niet met slogans, maar met mensen, procedures, aanbestedingen, vergunningen, budgetten en timing.

En precies daar begint het te wringen.

Want wat niet prominent in het akkoord staat, maar intussen wel overal rondzingt, is dit:

men wil in vijf jaar tijd ongeveer 340 miljoen euro investeren.

Dat bedrag op zich is niet het probleem. Integendeel. Onze gemeente hééft investeringen nodig:

  • in wegen en riolering,
  • in scholen en kinderopvang,
  • in sport- en cultuurinfrastructuur,
  • in klimaat, ontharding en energie,
  • in mobiliteit, trage wegen, fietspaden en verlichting.

Dat is allemaal juist. Dat is allemaal nodig.

Maar wie ooit ook maar één dossier van A tot Z heeft opgevolgd, weet dit:

een investering is geen bedrag in een tabel. Een investering is een proces. En dat proces vraagt capaciteit.

Achter elk nieuw fietspad zit:

  • een ontwerper,
  • een bodemstudie,
  • een wateradvies,
  • een aanbesteding,
  • een toezicht op de werf,
  • verrekeningen,
  • klachten,
  • en nazorg.

Achter elk nieuw gebouw:

  • een architect,
  • een studiebureau stabiliteit,
  • technieken,
  • energie,
  • toegankelijkheid,
  • brandweer,
  • omgevingsvergunning,
  • opvolging,
  • meerwerken,
  • ingebruikname.

En dat… honderden keren tegelijk.

De vraag is dus niet:

"Is 340 miljoen euro wenselijk?"

De échte vraag is:

"Wie gaat dat allemaal trekken?"

Want een fusie maakt een bestuur groter op papier, maar maakt geen mensen bij met één pennentrek. Wie vandaag denkt dat je met dezelfde administratieve structuren als gisteren ineens een investeringsmachine op grootstedelijk niveau kan draaien, onderschat de realiteit op het terrein.

Dat is geen onwil.

Dat is geen obstructie.

Dat is menselijke grens.

En daar wringt het gevaarlijk:

Als de uitvoeringskracht niet meegroeit met de investeringshonger, dan ontstaan niet alleen vertragingen. Dan ontstaat frustratie. Dan sneuvelen niet per se de slechtste projecten, maar wel de meest complexe. En dat zijn net die projecten die écht iets veranderen aan mobiliteit, wonen en leefbaarheid.

Het akkoord zegt veel over wat men wil doen.

Maar te weinig over hoe men de organisatie versterkt om dat tempo te dragen.

Daar bovenop komt nog iets anders, iets wat minder gezellig klinkt aan de toog maar morgen keihard binnenkomt in de boekhouding:

De financiële ademruimte die vandaag zo royaal aanvoelt, is voor een groot stuk het gevolg van Vlaamse schuldverlichting bij de fusie. Dat creëert ruimte. Tijdelijk. Maar die ruimte is geen eindeloze spons.

Investeringen brengen niet alleen infrastructuur, maar ook:

  • onderhoud,
  • exploitatie,
  • personeel,
  • energie,
  • herstellingen,
  • vervangingen.

En die kosten verdwijnen niet na 2030. Die komen net dán pas echt binnen.

Het bestuursakkoord spreekt terecht over gezonde financiën, schuldbeheersing en responsabiliteit. Maar wie vandaag 340 miljoen euro belooft zonder ook publiek te zeggen waar de grens ligt, hoe de fasering gebeurt en welke projecten eventueel níét doorgaan, voedt verwachtingen die morgen politiek onbetaalbaar kunnen worden.

En dan is er nog een ander fenomeen dat dit dossier extra gevoelig maakt:

aan aankondigingspolitiek zal het alvast niet liggen.

Uitpakken met 340 miljoen euro aan investeringen in tijden van economische onzekerheid, hoge rente, faillissementen bij aannemers, stijgende bouwkosten en onder druk staande gezinnen — dat is niet alleen een lokaal signaal. Dat is ook de rest van Vlaanderen een beetje in hun hemd zetten.

Terwijl elders gemeenten worstelen met besparingen, sluitingen en herprioriteringen, presenteert Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht zich ineens als investeringsmotor van het land. Dat mag ambitie heten. Maar het mag ook een tikkeltje bescheidener. Want van enige terughoudendheid is hier nauwelijks sprake.

Meer zelfs: het dreigt soms de grote Marc Van de Vijver-show te worden.

Niet noodzakelijk inhoudelijk verkeerd — wel communicatief allesoverheersend. Als alles groot wordt aangekondigd, wordt ook alles groot afgerekend.

En politiek zit hier nog een ander spanningsveld onder:

De N-VA beheert in dit college geen departementen met echte zware investeringsbudgetten. Dat betekent dat men inhoudelijk mee aan tafel zit, maar politiek weinig zal scoren op zichtbare bakstenen. Dat is geen detail. Dat wordt binnen vijf jaar wél een afrekening waard.

Ondertussen liggen de echt zware dossiers al klaar op tafel.

Doel, Prosperpolder, toerisme, privatisering, erfgoed, landbouw, natuur, mobiliteit, havenbelangen… In het akkoord is het allemaal netjes omschreven, genuanceerd, diplomatisch. Maar iedereen die daar woont of werkt, voelt dat hier niet alleen plannen botsen — maar ook levenskeuzes, generaties en eigendommen.

Zo'n dossiers behandel je niet met persberichten. Die vragen:

  • participatie die écht weegt,
  • juridische voorzichtigheid,
  • en vooral politieke eerlijkheid.

Zonder dat wordt ontwikkeling opnieuw iets wat mensen overkomt, in plaats van iets wat ze mee vormgeven.

En dan kom ik tot de kern van mijn bedenking over dit akkoord.

Het is geen slecht akkoord.

Het is geen hard akkoord.

Het is vooral een zeer ambitieus beheerakkoord.

Maar ambitie zonder uitvoeringskracht is geen ambitie — dat is overbelasting in wording.

Een bestuur wordt niet afgerekend op het aantal acties in een document, maar op wat er vijf jaar later effectief ligt:

  • welke straten écht heraangelegd werden,
  • welke scholen écht gerenoveerd zijn,
  • welke wijken écht veiliger werden,
  • welke jongeren écht ruimte kregen,
  • en welke burgers zich écht gehoord voelen.

Mijn vrees is niet dat men te weinig wil.

Mijn vrees is dat men te veel tegelijk wil.

Mijn vrees is dat men hier vooral aan aankondigingspolitiek doet.

En dat is misschien wel de gevaarlijkste vorm van beleidsvoering: goed bedoeld, breed gedragen, maar organisatorisch onverteerbaar.

Je kan geen Formule 1 rijden met een motor die ontworpen is voor een tractor.

En je kan geen investeringsmarathon lopen met een administratie die al maanden op de tanden bijt en het nog zeer moeilijk heeft met de fusie. Zij zijn niet klaar om dit te gaan uitvoeren. 

Wil dit akkoord slagen, dan is er één absolute voorwaarde:

investeer eerst in uitvoeringskracht vóór je investeert in beton. Zorg dat de administratie en de dienstverlening op punt staan. Zorg eerst dat de kerntaken uitgevoerd worden. 

Niet in extra structuren op papier.

Maar in mensen. In ervaring. In projectleiding. In juridische slagkracht. In financiële opvolging.

Zonder dat wordt 340 miljoen euro geen hefboom voor vooruitgang, maar een recept voor uitstel, frustratie en politieke afrekening.

En dát, beste lezer, zou pas echt de volksverlakkerij zijn waar ik voor vrees..